Tokio Reisblog 2: The Legend of Samuel: A Link to the Food 

Tokio Reisblog 2: The Legend of Samuel: A Link to the Food 2014-02-17T09:41:56

Na mijn (veel te lange) blog van een paar dagen geleden (over iets wat geen reet met Japan te maken had), is het nu tijd om daadwerkelijk wat te tikken over mijn verblijf in een van de meest dope hoofdsteden ter wereld. Ook ga ik een heleboel foto’s laten zien (want plaatjes zeggen meer dan duizend woorden, aldus een quasi-filosofisch iemand die verschrikkelijk was in verhalen vertellen) maar daar moet ik meteen bij zeggen dat ik een verschrikkelijke fotograaf ben, dus vergeef me alvast. 

Ja, eh, sorry hoor; ik ben een schrijver, niet de volgende Anton Corbijn, oké? Ik kan niet overal goed in zijn.

Goed, waar was ik?

Sneeuw

Nee, het weer was niet bepaald uitnodigend.

Oh ja, ik arriveerde dus in Tokio. Ik stapte het vliegtuig uit en keek naar buiten. Het was koud, grijs en allesbehalve gezellig. Dat was twee jaar geleden in september bij mijn trip naar Osaka wel even anders, zeg. Nou zijn vliegvelden nooit echt gezellig, maar ik had niet verwacht dat het zo koud zou zijn dat het nog volop zou sneeuwen. Om mezelf maar even op te vrolijken zocht ik naar de eerste de beste kraam om mezelf te verrijken met een van mijn grootste passies (tevens hetgeen waar Japan nog altijd nummer 1 in is): eten. Voor 105 yen - omgerekend naar ons Monopolie-geld nog geen euro - kocht ik een rijstbal. Een driehoekige klomp rijst, gevuld met een beetje vis en een klein pufje mayo, omringd met een krokant laagje zeewier.

Gezond. Handig. Heerlijk. En dat voor nog géén fucking euro. Terwijl wij dus een bom suiker in de vorm van een Snickers naar binnen werken voor €1,25, eten ze aan de andere kant van de wereld iets wat tien keer lekkerder en bevredigender is, en verdomme óók nog eens daadwerkelijk voedzaam is. Ik was het vliegveld nog niet eens af en ik wilde nou al nooit meer terug naar het door mij normaal zo geliefde Amsterdam. Geen wonder dat bijna al die Jappen zo slank zijn als zelfs hun comfort food goed voor hen is.

Theezakje

Nederland, ga dit ook doen. Alsjeblieft. ALSJEBLIEFT.

Ik kocht een kaartje voor de shuttle-bus naar mijn hotel (‘t ANA Intercontinental) voor 3000 yen. Da’s omgerekend zo’n 25 euro, wat best duur is voor een busrit, maar goed, het bracht me wel binnen een uur naar m’n bestemming. Een uurtje later stond ik voor het hotel, met open mond. Wow, wat een prachtige plek. Pure luxe. Hou ik van, want ik ben nog steeds die wannabe rockster, vooral op trip, jeweetzelf. Overal marmer, waterval-glasplaten, en tig mensen in pinguinpakken die vragen of ze iets voor je kunnen doen. Als ik had gezegd “nou, ik heb eigenlijk behoorlijke jeuk aan m’n kringspier”, dan hadden ze graag voor me gekrabt. Om je een idee te geven hoe awesome dit hotel is: er zit een heel winkelcentrumpje in. En de tweede en derde verdiepingen bestaan uit hoog aangeschreven restaurants. Op de bovenste verdieping is een luxe nachtclub te vinden. Oh yeah.

Eenmaal aangekomen in mijn hotelkamer besloot ik me even goed uit te rekken, te genieten van Tokio’s skyline  en de minibar te lokaliseren. Ja, die shit is veel te duur, dat weet ik, maar, sorry, soms zijn er noodgevallen en dan moet je weten waar de kleine flesjes Jameson te vinden zijn, snap je? (Met noodgevallen bedoel ik: je hebt een dronken dame beloofd dat je een afterparty geeft “bij jou” en dat er drank is. En nee, dat is geen liegen; dat is “met de waarheid spelen”. Don’t you look at me like that.) Tot mijn verbazing trok ik daar tussen de vele top-of-the-line hapjes ook een echte, Nederlandse stroopwafel aan. Blijkbaar zijn de Jappen daar gek op. Smaak, zij hebben het.

STROOPWAFELS!!

Worden de beste stroopwafels in Gouda gemaakt, of zo? Hoe dan ook, “viva Hollandia!”, etc.

Toen herinnerde ik me weer hoe geweldig Japanse wc’s zijn, dus ik liet alles uit m’n handen vallen, trok m’n broek met één acrobatische, natuurkundig onmogelijke beweging van m’n onderlijf af, en sprong de badkamer in. Oh yeah, baby. Noem me maar een flikker, maar Japanse wc’s zijn het mooiste wat er is. Als je er goed over nadenkt representeren die toiletpotten eigenlijk op simpele doch ultieme wijze Japan(se cultuur) in z’n geheel: de rest van de wereld vindt het maar decadent, overdreven, raar en gay, maar stiekem weten we diep van binnen allemaal dat die shit tien keer beter is dan die meuk die wij hebben.

Enfin, met een brede glimlach trok ik mijn onderbroek van m’n kont af (enjoy the mental image, buckos) en langzaam plaatste ik m’n getinte achterste op de wc-bril. Bijna bevend van anticipatie voelde ik mijn aarshuid contact maken met het toilet. Ik deed m’n ogen dicht. Er ontsnapte - zelfs tot mijn eigen verbazing - een kleine kreun uit mijn mond. Tja, wat kan ik zeggen? Je hebt niet geleefd totdat je een wc met brilverwarming hebt volgescheten. Zo fijn.

WC-pot

Geloof me nou maar gewoon, jongens. Je anus gaat je dankbaar zijn.

ANYWAY! Na mijn toiletavontuur ging ik een bad nemen, want mijn kortstondige Russian Zombie Apocalypse had mijn zweetklieren immers behoorlijk laten werken. Toen ik om 16:00 uur Japanse tijd uit mijn stomende badkuip stapte, was ik echter niet zo opgefrist als ik had gehoopt. Integendeel, het warme bad had me nog duffer gemaakt dan ik me al voelde, en ik stond op het punt om in te storten. Nou ben ik iemand die van zichzelf al niet veel slaapt, maar die meer dan 14 uur durende reis was slopend, vooral omdat ik op beide vluchten niet had kunnen slapen. Bovendien keek dat heerlijke, grote tweepersoonsbed erg verleidelijk naar me.

PU op bed

Ik heb er even een PU’tje op gelegd zodat jullie het formaat goed tot jullie kunnen nemen.

Ik had die dag geen verplichtingen los van een diner met enkele journalisten en wat Konami-mensen om een uur of 19:30, maar mijn plan om drie uur lang Roppongi (een uiterst bruisend gedeelte van hartje Tokio) te verkennen, viel door mijn fysieke staat dus helaas in het water. I admitted defeat, en besloot uiterst Spaans een siesta te pakken tot 19:00 uur. Was ik niet van mezelf gewend. Ik voelde me gelukkig minder een loser toen ik fris en fruitig in de lobby stond om 19:30 uur en letterlijk elke andere journalist eruitzag alsof hij / zij dood wilde. Toen ik de groep met een glimlach vroeg of er mensen waren die na het eten wat leuks wilden gaan doen, werd ik verbouwereerd aangekeken. “Nope, we gaan daarna wat drinken in het hotel en vervolgens vroeg ons nest in”, zei men unaniem. “We moeten immers om 09:00 uur ‘s ochtends alweer beneden staan.”

Ja, eh, sorry maar: fuck dat! Ik ben in het centrum van Tokio. En ik ben een nachtdier en feestbeest. No way dus dat ik om half tien ‘s avonds (LOL) of zo alweer het hotel ga betreden, ongeacht hoe luxe de tent is.

De kruising

De grote kruising van Roppongi.

Goed, het was dus tijd om te eten. Alle journalisten - in totaal een stuk of 30, van over de hele wereld - werden onderverdeeld in vier groepen. Ik zat in de groep met wat Duitsers, Fransen en een Pool. Typisch. Samen met een PR-meneer van Konami liepen we het koude, maar prachtige Roppongi in. “Waar gaan we eigenlijk eten?”, vroeg ik. “Weet ik nog niet, we vinden wel wat”, kreeg ik te horen. Dus ik dacht natuurlijk meteen: sweet. Want ik had een Tokio To Do-lijstje gemaakt, en één van die dingen die erop stond was het eten van fugu. Dus als ik een beetje m’n best deed, dan kon ik de groep vast overtuigen om een goed sushi-restaurant te betreden waar ze fugu serveren.

Als je geen idee hebt wat fugu is: dat is het eetbare gedeelte van de kogelvis. Je weet wel, die vis die zichzelf kan opblazen tot een bal (soms met stekels). Niet geheel onbelangrijk, het vlees van dit beest is dusdanig giftig dat je er binnen 24 uur voorgoed nokkie van gaat. En nee, er is geen tegengif voor. Er is echter een klein gedeelte dat probleemlos gegeten kan worden, maar dit gedeelte moet dusdanig specifiek worden weggesneden dat de kleinste fout voor een lijk kan zorgen. Fugu is daarom in de meeste landen hartstikke illegaal, en in Japan mag het enkel bereid en geserveerd worden door chefkoks die er speciaal in gediplomeerd zijn.

Ja, dat wilde ik dus graag in me hebben. Vraag me niet waarom. (Antwoord: ik ben een adrenaline-junkie, een gigantische voedselenthousiast en een ontzettende aarsmongool.)

Vissie

Omnomnom.

Uiteraard vertelde ik mijn plannetje niet aan de rest van de groep, aangezien de gemiddelde mens geen suïcidale hedonist en meestal meer verstand heeft dan sensatielust. Wat ik zei was: “Jongens, ‘when in Rome, do as the Romans do’, dus laten we zo’n echte, goede, kleine sushitent vinden en deze eerste dag in Japan vieren met wellicht het beste voedsel ter wereld.” Ik zei het met de glimlach van een alwetende grootvader, het enthousiasme van een puberend meisje en de vastberadenheid van een ervaren autoverkoper. Werkt namelijk altijd.

...Bijna altijd. Eén van de Duitsers zei namelijk: “Nah, ik eet geen vis.”

Nnnnnnnngh. Ik mag moeilijke eters niet. Een goed smaakpalet is immers iets wat iedereen kan ontwikkelen.

Ik wilde in de tegenaanval gaan door op begripvolle (doch enigszins manipulatieve wijze) argumenten te geven als: “Goede sushitenten hebben zat sushi waar geen vis inzit, hoor! Omelet, groenten, soms zelfs vlees; you name it!” Helaas kreeg ik daar de tijd niet voor want, want meneer Konami PR zei uiterst diplomatisch: “Geen probleem, we gaan wel naar een ander soort restaurant.”

“Ja maar, ja maar, ja maar...”. Fuck. Geen fugu vanavond. 

PR

Mooi hè, die achterkant van de PR-meneer?

Ik had verder niets te klagen hoor, want in de sukiyaki-tent waar we uiteindelijk belandden was het eten ook voortreffelijk. Maar daarover volgende keer meer.

Door de kleurrijke straten van Roppongi lopen is een waar genot. Het is een schreeuwerige, gezellige kakofonie aan winkeltjes, restaurantjes, cafés en nachtclubs. Alles is er te vinden, van typische otaku-shops en karaoke-zaken, tot multimedia-giganten die dag en nacht open zijn en kleine sushitenten waar je enkel staand kunt eten. Ook Westerse ketens zijn er goed vertegenwoordigd; we liepen niet alleen langs een McDonald’s, maar ook KFC en zelfs Wendy’s lag op de route. Ook kun je er, net als in Vegas, een replica van de Eiffeltoren aantreffen. Mijn favoriet was echter die chaotische supermarkt waar je levende vissen kunt kopen; je wijst ze aan in het aquarium en ze worden er zo voor je uitgehaald.

Wat me ook weer opviel (twee jaar geleden in Osaka zag ik het ook overal) waren de mondkapjes. Minstens tien procent van alle Japanners die ik buiten zag liep met zo’n SARS-achtig ziekenhuismaskertje op. Ik maakte er een verschrikkelijke grap over (“volgens mij weten de mensen hier in Japan hoe erg ik kan stinken na een goede maaltijd”, ofzo) maar de PR-meneer legde me uit hoe het zat. Blijkbaar dragen ze dat mondkapje niet omdat ze bang zijn om ziek te worden, maar omdat ze al ziekig zijn. Het mondkapje zorgt ervoor dat de lucht die ze inademen ietsjes warmer is dan normaal (het was ook wel heel erg fris daar) waardoor hun longen minder te verduren krijgen. Kijk! Weer wat geleerd.

Sushi

Een typisch sushitentje in Japan. Prachtig.

Het meest irritante van onze zoektocht was iets waar ik al op het internet over gelezen had: de grote hoeveelheid Nigerianen die op de straten van Roppongi proberen mensen (vooral toeristen) over te halen een van de vele nacht- en seksclubs te bezoeken. In deze clubs dansen dames (vooral Russische, Vietnameze en Chinese; nauwelijks Japanse) die onder valse voorwendselen naar Japan zijn gelokt door deze aggressieve “proppers”. Deze negers staan dus op bijna elke straathoek van Roppongi (en andere populaire uitgaanswijken, zoals Shibuya) in de hoop dat jij je geld aan “hun” meisjes uitgeeft. Ik overdrijf overigens niet; je hebt er minstens twee op élke straat daar. En ze accepteren zelden een vriendelijke nee. “Yes, but friend, you are looking for a good time, so trust me, you get the first drink for free, trust me, trust me”, et cetera. Soms willen ze bijna meteen al een hand op je schouder leggen en je de club induwen.

Na tien minuten vriendelijk “no, thank you” te hebben gezegd, was ik het zat en schakelde ik over naar “NO, like I’ve said to all of your collegues, leave me alone”. Werkte ook niet helemaal (je krijgt dan boze blikken terug en soms blijven ze je volgen terwijl ze vragen stellen als “why you have to be so mad, man, that is not very nice”) maar het voelde in ieder geval bevredigender. De PR-meneer voelde zich echter niet zo veilig meer toen een van die Nigerianen ons twee straten lang bleef volgen met een boze blik op z’n porem, dus hij verzocht mij vriendelijk om beleefd te blijven.

Ik gooide het over een andere boeg en besloot onze groep van de Nigerianen te beschermen door über-droge grappen te maken, terwijl de rest bleef zoeken naar een geschikt restaurant. “Hello friend, unlimited drinks for five thousand yen and lots of cute girls, come in!”, zei één. “No thank you, we all just gangbanged this scared little old Japanese woman five minutes ago, so we’re all out of libido. But thanks anyway!”, antwoordde ik. “My friend, you look like Johnny Depp! Come inside, the girls will love you”, zei een ander. “If I look like Johnny Depp, then you need to buy glasses that actually work, Obama!”, zei ik terwijl ik hem een schouderklop gaf. Et cetera. Vaak stonden ze dan met de mond vol tanden, of lachten ze en liepen vervolgens weg.

Stad

Ik hou van steden.

Het meest bizarre van de Nigerianen is 1) dat ze niet alleen toeristen aanspreken maar ook gewoon Japanners (die ook niets van de opdringerige heren moeten hebben) en 2) dat hun werkwijze op geen mogelijke manier verder kan afstaan van de über-vriendelijke, nederige, dienende manier waarop Japanners met iedereen omgaan. Ondanks dat ik normaal niets tegen agressieve “verkopers” heb (ik kan prima omgaan met goede-doelen-werfers en Arabische verkopers op de Beverwijkse Bazaar, bijvoorbeeld) werd ik oprecht laaiend van binnen door die Nigerianen. Niet alleen vanwege hun verachtelijke vrouwenhandel, maar ook omdat hun werkwijze de gezellige, vredige gekkigheid van Roppongi zo lijkt te verpesten.

Na ongeveer twintig minuten Roppongi te voet te hebben verkend en minstens twintig opdringerige Nigerianen verbaal te hebben afgeweerd, kwamen we eindelijk langs een restaurantje waar iedereen in de groep (zelfs die moeilijke Duitser) zin in had. Ze serveerden er voornamelijk vlees- en noedelgerechten, vaak samen in een grote kom, als een soort van uiterst vullende soep. Dit wordt in Japan dus sukiyaki genoemd. We besloten aan de bar te gaan zitten, zodat we de koks konden zien werken (iets wat in elk restaurant een waar genot is, aangezien Japanse koks allemaal trots zijn op wat ze doen en ze er verdorie allemaal veel te goed in zijn). Ik ging naast de Poolse journalist zitten en besloot een praatje met hem te gaan maken. Dit gesprek was het begin van één van de gekste avonden van de afgelopen jaren.

... Maar dat lezen jullie in het volgende blogje, want zo gemeen ben ik ook wel weer. Also: ik ga alweer richting de drieduizend woorden, dus ik moet nou echt gaan stoppen voordat jullie voortaan altijd soortgelijke lengtes van mijn blogjes gaan verwachten én ik het Oude Testament ga inhalen qua woordaantal.

Kusjes,

Samuel de Ultra-Gaijin

REACTIES (26) 

Op deze website gebruiken we cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services. Meer informatie.

Akkoord